Een gemotiveerde betwisting of een bevrijdend verweer; dat maakt nogal wat uit voor de stel- en bewijsplicht. De Procureur Generaal legt het uit.

De PG overweegt: Het hof lijkt ervan uit te gaan dat de stellingname van de man gekwalificeerd moet worden als een bevrijdend verweer en dan zouden stelplicht en bewijslast inderdaad bij de man liggen. Van een bevrijdend verweer lijkt mij hier geen sprake. Die gedachte zou kunnen opkomen bij een versimpelde weergave van het onderscheid tussen de gemotiveerde betwisting enerzijds en het bevrijdende verweer anderzijds in de bekende formules ‘nee, want’ (betwisting) en ‘ja, maar’ (bevrijdend verweer). De redenering kan dan zijn ‘ja, ik had beschikking over het goud, maar ik heb het in de woning achtergelaten, dus ik heb er nu geen beschikking meer over.’ Dit kan je echter ook in een ‘nee, want’- formule zetten: ‘nee, ik heb geen beschikking over het goud, want ik heb het goud in de woning achtergelaten.’ Dat doet geen recht aan de kern van dit onderscheid.

Ahsmann meent dat de ‘ja, maar’- en ‘nee, want’-formuleringen niet goed weergeven waar het hier in de kern om gaat. Die kern is of de gedaagde of verweerder zich op een bepaald rechtsgevolg beroept dat los staat van de grondslag van de vordering of het verzoek, maar wél de toewijzing daarvan blokkeert. Conform de hoofdregel van art. 150 Rv draagt de partij die zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten beroept immers de bewijslast van die feiten of rechten.

In onze zaak voert de man aan dat hij het goud niet onder zich heeft, omdat hij het goud in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten. Daarmee betwist de man de stelling van de vrouw dat hij het goud wel onder zich zou hebben. Dat vormt een betwisting van een stelling die de vrouw aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd en die nodig is voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg en is dan ook een grondslagverweer. Hier is geen sprake van een situatie waarin de man zich op een rechtsgevolg beroept dat los staat van de grondslag van het verzoek van de vrouw. Onderdeel 2.2 treft doel.

Link naar het artikel: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:449