Hoe een handgeschreven gespreksverslagje en een ambtenaar zonder actieve herinnering, leidt tot aansprakelijkheid van een gemeente. Lees er meer over.

De rechter overweegt: De Gemeente heeft daartegen aangevoerd dat [naam 4] zich het gesprek niet kan herinneren. Daarnaast heeft de Gemeente zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat [naam 4] gezegd zou hebben dat de paardenbak was toegestaan. De vermelding “bak mag” in de gespreksaantekening ziet volgens de Gemeente op het andere gedeelte van het perceel met bestemming Landelijk Gebied en niet op bestemmingsplan [bestemmingsplan] omdat daarin niet 800 m2 wordt genoemd. In een gesprek zoals gevoerd tussen [naam 4] en [eisende partij 1] beperkt een ambtenaar zich tot een toelichting van het bestemmingsplan en doet geen toezeggingen.

(…) Bij de vraag of een burger redelijkerwijs had mogen vertrouwen op de juistheid van de informatie speelt de hoedanigheid van de burger een rol, en hoe de informatie verstrekt is en door wie de informatie verstrekt is.

[eisende partij 1] is een particulier, die bovendien in haar email duidelijk heeft vermeld dat zij een leek is op het gebied van bestemmingsplannen. [naam 4] daarentegen was als sinds 2003 werkzaam als Juridisch medewerker Vergunningen bij de Gemeente en beschikte dus over de nodige professionele expertise. De Gemeente heeft ook niet duidelijk gemaakt hoe [eisende partij 1] anders dan het informeren bij de Gemeente uitsluitsel over de mogelijkheden van de percelen binnen de bestemmingsplannen had kunnen krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [eisende partijen] c.s. er daarom in redelijkheid op vertrouwen dat de door de Gemeente ( [naam 4] ) gegeven informatie dat de bestaande paardenpak was toegestaan juist was.

De rechtbank ziet niet in dat er nog meer van [eisende partij 1] verwacht mocht worden, zoals de Gemeente stelt. Gelet op het voortraject (concrete vragen en voorbereiding), het doel van het gesprek (het verkrijgen van duidelijkheid over specifieke mogelijkheden op de percelen) en het resultaat daarvan (gegeven duidelijkheid over de mogelijkheden) was er immers geen reden voor een nader gesprek. Ook het feit dat [eisende partij 1] geen nadere e-mail heeft gestuurd na het gesprek ter bevestiging van het besprokene, maakt niet dat [eisende partijen] c.s. niet mocht uitgaan van de juistheid van de door de Gemeente tijdens het gesprek verstrekte informatie over de paardenbak, nu het antwoord van de Gemeente duidelijk en overzichtelijk was. [eisende partij 1] hoefde er daarom niet bedacht op te zijn dat zij de informatie mogelijk verkeerd zou hebben begrepen, zodat een bevestigingsmail in die zin geen toegevoegde waarde zou hebben.

De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat de Gemeente door het geven van de onjuiste inlichting jegens [eisende partij 1] onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij hierdoor op het verkeerde been is gezet. Nu [eisende partij 2] bij het gesprek aanwezig is geweest, in 2020 het aandeel van [naam 1] heeft overgenomen, en de Gemeente jegens [eisende partij 2] geen zelfstandig verweer heeft gevoerd, is de gevorderde verklaring voor recht ook met betrekking tot [eisende partij 2] toewijsbaar.

De link naar de uitspraak: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11584