De rechter overweegt: Na de onder 15 en 16 gegeven oordelen resteert nog het geschil over de leges die zijn geheven ter zake van “Projectbesluit, uitgebreide procedure”. De rechtbank overweegt dat met de onder 2 geciteerde anterieure overeenkomst planschade en plankosten kunnen worden verhaald op belanghebbende. Daarmee is de anterieure overeenkomst een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24, eerste lid, van de Wro. Gelet op het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder g, van de Verordening, heeft het voorgaande tot gevolg dat indien via de anterieure overeenkomst sprake is van verhaal van kosten van diensten die zijn verleend in het kader van afdeling 6.4 van de Wro, ter zake van die diensten geen leges kunnen worden geheven. Uit de aanduidingen “planeconomie/juridica” en “bestemmingsplanjurist” die zijn gebezigd bij de in de 3 aangehaalde plankostenraming, komt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk naar voren dat het daarbij gaat om de kosten van dezelfde diensten als de diensten die op de aanslag zijn omschreven als “Projectbesluit, uitgebreide procedure”. Dat de anterieure overeenkomst is gesloten nadat de bouwaanvraag is gedaan maakt dit niet anders. De aanslag leges is namelijk opgelegd nadat de anterieure overeenkomst is getekend en de factuur daarvoor verzonden, waarmee de bevoegdheid om ook nog leges te heffen op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Verordening in zoverre is komen te vervallen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het ter zitting gedane bewijsaanbod van verweerder en is van oordeel dat, met inachtneming van artikel 8, aanhef en onder g, van de Verordening, het bedrag aan leges van € 6.280,95 ten onrechte is geheven. In zoverre is het gelijk dus aan belanghebbende.
Zie voor de uitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2026:3633.
