De rechter overweegt: Bedrijvencentrum heeft niet betwist dat als bij de verhuur van de middenhuurwoningen in het Project wordt aangeknoopt bij het WWS-regime, die woningen niet meer bereikbaar zijn voor de beoogde doelgroep. Dat de Gemeente in haar huidige (woningbouw)beleid voor middenhuurwoningen aansluiting zoekt bij het WWS-regime, brengt in de gegeven omstandigheden niet mee dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Gemeente voor dit project vasthoudt aan de met (de rechtsvoorganger van) Bedrijvencentrum gemaakte afspraken. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de (financiƫle) gevolgen van de inwerkingtreding van de Wbh, voor zover dit al een onvoorziene omstandigheid is in de zin van artikel 6:258 BW, voor rekening van Bedrijvencentrum dienen te komen.

Het bepaalde in artikel 3:14 BW maakt het voorgaande niet anders. Hiervoor is al overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de Gemeente zich zonder redelijk belang op nakoming van de gemaakte afspraken beroept. Daarnaast heeft Bedrijvencentrum onvoldoende onderbouwd dat de Gemeente het gelijkheidsbeginsel schendt. Het enkele feit dat de Gemeente bij het afsluiten van overeenkomsten voor nieuwe projecten aansluiting zoekt bij het sinds 1 juli 2024 geldende wettelijk regime voor middenhuurwoningen, rechtvaardigt die conclusie niet.

Zie voor het vonnis:ECLI:NL:RBDHA:2026:21776