De rechter overweegt: De gemeente betoogt dat de ligging en levering van de leidingen publiekrechtelijk reeds voldoende is gewaarborgd, en dat de opgelegde gedoogplicht in zoverre geen doel dient en een onaanvaardbare doorkruising vormt van het bestaande publiekrechtelijke kader zoals neergelegd in de gemeentelijke Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam (VBOR) en de daarbij behorende nadeelcompensatieregeling. De rechtbank ziet in de eerste plaats niet in hoe het door de gemeente opgeworpen juridische vraagstuk van de onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht hier van toepassing is. Zowel de op grond van de Ow opgelegde gedoogplicht als het door de gemeente gehanteerde vergunningenstelsel zoals neergelegd in de VBOR zijn immers publiekrechtelijk van aard. Verder verwijst de rechtbank naar wat onder 5.3 is overwogen. Gelet op het oordeel van de rechtbank in deze overweging dat sprake is geweest van een redelijke en serieuze poging om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen met betrekking tot de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding, terwijl die poging niet is geslaagd, is daarmee ook sprake van een daadwerkelijke noodzaak om een gedoogplicht op te leggen.
Volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1285, hoeft TenneT geen genoegen te nemen met een vergunning dan wel de privaatrechtelijke toestemming van de gemeente, omdat daarmee de liggings- en leveringszekerheid niet is gewaarborgd. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eeuwigdurende, niet opzegbare opstalrechten of door de minister opgelegde gedoogplichten het gemeentelijke vergunningstelsel niet doorkruisen. Gelet op het voorgaande is ook aan de in artikel 10.11, onder a en c van de Ow (impliciet) opgenomen noodzaak voor het opleggen van de gedoogplicht voldaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zie: ECLI:NL:RBROT:2026:10871
