De rechter overweegt onder meer: Tegen deze achtergrond kunnen gedaagden dan ook niet gerechtvaardigd stellen dat de overeenkomsten die tot de verkoop van de percelen hebben geleid en de vaststellingsovereenkomst op goede gronden door hen zijn vernietigd. Nog daargelaten dat [eiseres] in dit verband onweersproken heeft aangevoerd dat de mogelijkheid tot vernietiging van de overeenkomsten uitdrukkelijk is uitgesloten zodat het nog maar de vraag is of de buitengerechtelijke vernietiging enig effect heeft gehad. Niet is gebleken dat gedaagden de vaststellingsovereenkomst in rechte hebben aangevochten of anderszins civielrechtelijk stappen hebben ondernomen.

Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat het bezwaar van gedaagden op de grond dat [eiseres] nimmer rechtmatig eigenaar van de percelen is geworden, geen kans van slagen heeft. Ook is voldoende aannemelijk dat [eiseres] nadelen ondervindt van het bezwaar, omdat de realisatie van het project onder druk komt te staan terwijl zij zo snel mogelijk met de bouw wil aanvangen, alsmede dat zij reputatieschade lijdt. Ter zitting is duidelijk geworden dat het bezwaar van gedaagden de enige belemmering is voor het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. Naar voorlopig oordeel wordt het belang van [eiseres] zodanig onevenredig geschaad door het instellen en handhaven van het bezwaar dat gedaagden deze bevoegdheid in redelijkheid niet konden uitoefenen. Gedaagden handelen dan ook onrechtmatig door het instellen en het handhaven van het evident kansloos bezwaar.

 

Zie het vonnis door te klikken op de link: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10526