De rechter overweegt: Uit de door de gemeente aangeleverde informatie blijkt dat de in rekening gebrachte kosten (EdG: Eur 11.000) niet zijn opgebouwd uit de kosten voor concrete uren met tarieven per uur, maar bestaan uit forfaitaire tarieven, die gebaseerd zijn op een landelijk gehanteerde manier van berekenen. Achter de forfaitaire tarieven zit een inschatting van in het algemeen voor dergelijke werkzaamheden benodigde uren en de kosten daarvan. In de door de gemeente overgelegde eindrapportage uit 2018 is opgenomen dat de (toenmalige) wettelijke regeling een minimale bijdrage van € 8.000,00 per plan zou voorschrijven. Dit is in zoverre onjuist dat in artikel 5 van de Regeling geen minimumbedrag, maar in beginsel een maximumbedrag van € 8.000,00 was opgenomen. In de rapportage wordt verder zonder controleerbare onderbouwing aangegeven dat de vaste kosten voor de planvoorbereiding en besluitvorming feitelijk € 8.825,00 bedragen. Hier wordt vervolgens een bedrag van
€ 1.500,00 per woning bij opgeteld aan variabele kosten voor planologische begeleiding en contractbeheer. Voor de bestuurlijke besluitvorming is dit kennelijk voldoende (inzichtelijk) geweest en hierop is het beleid aangepast.
Hoewel [gedaagde] er enigszins in kan worden gevolgd dat de door de gemeente aan haar beleid ten grondslag liggende inschatting van de werkelijke kosten niet erg inzichtelijk is, is met deze uitleg wel voldoende onderbouwd dat het bedrag van € 11.000,00 door de gemeente ook voor andere aanvragers van soortgelijke bestemmingsplanwijzigingen in een anterieure overeenkomst wordt gehanteerd. Dus niet alleen in situaties waarin het gaat om daadwerkelijke bouwactiviteiten, maar ook in alle situaties waarin het gaat om een aanvraag om alleen de bestemming te wijzigen. Daarmee strandt het verweer van misbruik van omstandigheden. Dat een deel van de in de berekening betrokken werkzaamheden is uitgevoerd voordat tot het sluiten van de overeenkomst is overgegaan, maakt dat niet anders. Het bedrag is immers ook dan gebaseerd op (de kosten voor) de werkzaamheden die samenhangen met de gevraagde bestemmingswijziging, ook in soortgelijke zaken.
Omdat een anterieure overeenkomst niet bestuursrechtelijk, maar privaatrechtelijk van aard is en een overeenkomst gesloten wordt op basis van wilsovereenstemming tussen partijen en in principe vrijwillig is, is de uitkomst van de plankostenscan strikt genomen niet bindend voor de gemeente. [gedaagde] heeft aangevoerd dat er in haar geval redenen hadden moeten zijn voor de gemeente om een lager bedrag in rekening te brengen, of in elk geval het overeengekomen bedrag niet op haar te verhalen. Hiermee doet zij een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor het slagen van een dergelijk beroep ligt de lat echter erg hoog. Dan moet worden vastgesteld dat het beroep van de gemeente op nakoming van de contractuele afspraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die hoge lat wordt hier niet gehaald.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van de gemeente in hoofdsom toewijsbaar is en dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie afgewezen zullen worden.
Zie voor het volledig vonnis: ECLI:NL:RBGEL:2026:5195
