Gelukkig is er onze Hoge Raad met oog voor ‘de mens in het recht’. Lees onderstaande twee pareltjes van overwegingen. Onteigenen zonder begrip, inlevingsvermogen en compassie, het moet niet kunnen en het kan gelukkig ook niet

De Hoge Raad overweegt:

De rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien zij met haar overweging in rov. 3.29 dat “als het gaat om een plan voor het werk, dan moet ook het hele werk uitgewerkt zijn” tot uitdrukking heeft gebracht dat onderzoek naar verschillende tracévarianten die geen betrekking hebben op het gedeelte van het tracé van de weg ter plaatse van het onteigende en die daarop ook niet van invloed konden zijn, in de weg staat aan het oordeel dat sprake is van een concreet plan dat eliminatie van de huidige bestemming rechtvaardigt. (…). Indien de rechtbank wel (uitsluitend) de hiervoor in 3.2.1 genoemde maatstaf heeft gehanteerd, is haar oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, omdat de door de rechtbank in rov. 3.29 genoemde omstandigheid dat in de periode 2015 tot mei 2016 nog meerdere tracévarianten zijn onderzocht, noch enige andere overweging van de rechtbank, de verwerping kan dragen van het betoog van [onteigende] (weergegeven in rov. 3.26 van het vonnis) dat na de keuze voor de (verbeterde) Challenge-variant, het wegtracé ter plaatse van het onteigende niet meer is gewijzigd. In het bijzonder heeft de rechtbank niet vastgesteld dat tot de tracévarianten die in 2015, januari 2016 en mei 2016 nog werden onderzocht, ook varianten behoorden waarbij de weg niet over het onteigende perceelsgedeelte liep. De rechtbank heeft, zoals onderdeel 1.5 aan de orde stelt, ten onrechte geen kenbare aandacht besteed aan de stelling van [onteigende] dat het raadsvoorstel van 1 december 2015 tot aanwijzing van het perceel van [onteigende] op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten inhield dat “zeker is dat het perceel van [[onteigende]] wordt doorkruist door de verbinding tussen de [b-straat]/[c-straat] en de [a-straat]” en dat op de tekening gevoegd bij de brief van de Gemeente aan [onteigende] van 31 mei 2016 het tracé over het perceel van [onteigende] al precies was te zien.

Het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is voor afwijking van de maatstaven die gelden in het ruimtelijk ordeningsrecht voor vergoeding van planschade is zonder nadere motivering niet begrijpelijk, omdat de rechtbank geen kenbare aandacht heeft besteed aan de vraag of van [onteigende] kon worden verlangd dat hij, mede in aanmerking genomen dat tijdens de zogenoemde benuttingsperiode de Gemeente met hem gesprekken was gestart over minnelijke verwerving van (een deel van) zijn grond voor de aanleg van de verbindingsweg, het vooruitzicht van onteigening negeerde en bij de Gemeente een vergunningaanvraag zou indienen voor een met die weg onverenigbaar bouwwerk, met geen ander doel dan het behoud van zijn aanspraak op vergoeding van planschade. De door de rechtbank genoemde omstandigheid dat [onteigende] tegen het einde van de benuttingsperiode nog wel een vergunningaanvraag heeft gedaan en deze tot niets heeft geleid door een fout in de tekening, is geen toereikende motivering voor bevestigende beantwoording van de hiervoor genoemde vraag. Als van [onteigende] niet verlangd kon worden dat hij een vergunningaanvraag indiende, kan de omstandigheid dat hij een aanvraag heeft ingediend die als gevolg van een fout tot niets heeft geleid, niet zonder meer reden zijn om aan te nemen dat er geen grond is voor een tegemoetkoming in planschade.` Zie https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1303