Een gemeentelijk voorkeursrecht verdient een restrictieve uitleg aldus de rechter. Vreemd of niet? Dubbel genaaid houdt beter? Is dat (dubbel juridisch stikken) nodig bij een wettelijke regeling die op zichzelf noodzakelijk en proportioneel is te achten? Is dat niet te veel van het goede?
De rechter overweegt: Op grond van artikel 9.22, eerste lid, Ow kan een gemeente de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan een op haar naam gevestigd voorkeursrecht. Bij de uitleg van deze bepaling sluit de rechtbank aan bij de rechtspraak die is ontwikkeld ten aanzien van het gelijkluidende artikel 26 van de Wet voorkeursrecht gemeenten, dat vóór 1 januari 2024 gold. Hoofdstuk 9 van de Ow verschaft de overheid een instrument om vergaande beperkingen op te leggen aan het eigendomsrecht van grondeigenaren, meer in het bijzonder de aan het eigendomsrecht verbonden beschikkingsmacht. Artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt: ‘Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.’ Vanwege het eigendomsbeperkende karakter van het voorkeursrecht dient de daaraan ten grondslag liggende regeling, mede in het licht van het Eerste Protocol, restrictief te worden uitgelegd.
Niet in geschil is dat de koopovereenkomst niet leidt tot vervreemding gedurende het voorkeursrecht, aangezien geen levering plaatsvindt. Anders dan de gemeente, is de rechtbank van oordeel dat met de koopovereenkomst ook niet de beschikkingsmacht over en het economisch belang bij de percelen in enigerlei mate worden overgedragen. De rechtbank gaat daarbij uit van de koopovereenkomst en niet van de persberichten van de Vereniging. Uit de koopovereenkomst leidt de rechtbank af dat er geen (voorschot op een) koopsom is voldaan aan SBRD, tot zekerheid van de terugbetaling waarvan een hypotheek ten gunste van de koper is gevestigd. Ook overigens kan uit de koopovereenkomst van 7 juli 2025 en de inschrijving daarvan niet worden afgeleid dat deze is gesloten met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan de voorkeursrechtpositie van de gemeente. SBRD c.s. hebben toegelicht dat SBRD vreesde dat [beheersmaatschappij] conservatoir beslag zou leggen op de percelen. Met de inschrijving van de koopovereenkomst zou dit beslag niet aan Stichting Villa Betty kunnen worden tegengeworpen.
Verder weegt de rechtbank mee dat in artikel 7 van de koopovereenkomst een ontbindende voorwaarde is opgenomen voor de situatie dat de SBRD ten tijde van het ondertekenen van de leveringsakte niet vrij staat de percelen te leveren. De gemeente heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat een dergelijke ontbindende voorwaarde altijd in koopovereenkomsten staat. Maar de rechtbank meent dat het hier niet gaat om een standaardbepaling, nu artikel 7 moet worden gelezen in samenhang met de considerans van de koopovereenkomst waarin expliciet is opgenomen dat SBRD en Stichting Villa Betty het voorkeursrecht zullen respecteren. Anders dan de gemeente, is de rechtbank van oordeel dat de vaststellingsovereenkomsten en cessie(akte)s evenmin de kennelijke strekking hebben afbreuk te doen aan de voorkeursrechtpositie van de gemeente. Het overnemen van een schuldenlast door middel van een cessie is niet zonder meer nietig. De rechtbank ziet ook onvoldoende aanleiding om deze rechtshandelingen in samenstel met de koopovereenkomst te bezien, nu de betrokkenen bij deze rechtshandelingen niet volledig dezelfde zijn als de betrokkenen bij de koopovereenkomst. Dat [verweerder 4] en [verweerder 5] zowel bestuurders als aandeelhouders zijn van Villa Betty B.V. en de bestuurder van [verweerder 4] ook bestuurder is van SBRD maakt dat in de gegeven omstandigheden niet anders. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Zie: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19667
