De rechter overweegt: Het is in beginsel aan de burger om zelf na te gaan of voor het oprichten van een door hem gewenst bouwwerk een vergunning is vereist. Dat zou anders kunnen zijn als door de betrokken overheidsinstantie informatie wordt verstrekt op grond waarvan de burger redelijkerwijs ervan mag uitgaan dat de gewenste vergunning zou worden verleend of geen vergunning is vereist. In dit geval heeft [eiser] de gemeente verzocht om een wijziging van een (civielrechtelijke) kwalitatieve verplichting. Hij heeft géén vraag gesteld over het wel of niet vereist zijn van een (omgevings)vergunning of omgevingsrechtelijke vereisten waaraan moest zijn voldaan, terwijl de gemeente in de akte heeft laten opnemen dat vergunningen moesten worden aangevraagd bij de gemeente en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het enkele door de gemeente instemmen met een wijziging van de kwalitatieve verplichting is dan niet voldoende om er gerechtvaardigd op te mogen vertrouwen dat de gemeente daarmee ook verklaarde dat de vereiste vergunning voor de door [eiser] gewenste solide steiger van 2 meter breed ongeacht de lengte ervan hoe dan ook zou worden verleend door het college. Dat in de akte – anders dan ten aanzien van de breedte – geen bepaling is opgenomen over de lengte van de steiger maakt dat niet anders. De lengte van de steiger was, anders dan de breedte, kennelijk voor een veilig scheepvaartverkeer op de [rivier] voor de gemeente niet van belang. Het dienen van dat belang was de reden waarom de gemeente eerder had bedongen dat er een kwalitatieve verplichting zou komen die het de eigenaar van het perceel verbood ter plekke een steiger te hebben. Het voorgaande laat overigens onverlet dat een en ander, zoals de gemeente op de mondelinge behandeling beaamde, duidelijker in de akte verwoord had kunnen worden.
Omdat [eiser] in aanloop naar het wijzigen van de kwalitatieve verplichting geen vragen aan de gemeente heeft gesteld over voor de steiger vereiste vergunningen, had de gemeente het aan haar doorgeleide verzoek daarom – en mede gelet op de tekst ervan – niet hoeven te begrijpen als een verzoek dat noopte tot het verstrekken van meer informatie over de bestuursrechtelijke (on)mogelijkheden (in de akte zelf of voorafgaand aan het passeren daarvan) dan zij in de akte heeft gedaan. Dat uit het verzoek kan worden afgeleid dat [eiser] van plan was een steiger aan te leggen en de gemeente wist dat daarvoor vergunningen nodig waren is daarvoor niet voldoende.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] onjuist en/of onvolledig voor te lichten over de omgevingsrechtelijke mogelijkheden voor een steiger bij zijn perceel.
Zie ECLI:NL:RBNHO:2026:12018
